1948 - 1967

 

Na aanzienlijk debat beslisten de VN Palestina op te splitsen, in Joodse en Arabische staten. Op 29 november 1947 aanvaarde de VN veiligheidsraad resolutie 181 voor de verdeling van Palestina (zie kaart op deze pagina). Vanaf dit moment is er voor het eerst sprake van de staat IsraŽl.

Bijna onmiddellijk na aanvaarding van het verdelingsplan braken de vijandelijkheden uit. Langs Arabische zijde kwamen de vijandelijkheden voornamelijk van vrijwilligers georganiseerd door de Arabische Liga en Fawzi El-Kaukji. Het Jordaans Arabisch legioen nam deel aan de gevechten in het Gush Etzion blok nabij Hebron. Er vonden zelfs gevechten plaats in Jerusalem op klaarlichte dag onder het toeziend oog van het Britse leger dat zich afzijdig hield.

Op 15 mei 1948, toen de Britten vertrokken, mengden het Jordaans Legioen, de Egyptische, Syrische en Irakese strijdkrachten zich in de gevechten. Naarmate de oorlog vorderde, en zeker na de eerste wapenstilstand in 1948 slaagden de Joden erin zichzelf te bewapenen en een leger te vormen uit de Hagannah, Irgun en Lehi en wisten de overhand te nemen. Steeds meer Arabieren besloten te vluchten.

Zo veranderde de IsraŽlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1947-49 uiteraard de demografische balans. De verplaatsing van het grootste deel van de Arabische bevolking uit hun huizen, gevolgd door massa-immigratie van overlevenden van Hitlerís Europa en Joodse vluchtelingen van Arabische landen brachten de Joden dichter bij hun doel van de absolute meerderheid. Slechts 15í000 Arabieren bleven binnen IsraŽl nadat de rest was gevlucht of weggestuurd door de IsraŽlische strijdkrachten. Minstens 700í000 vluchtelingen vertrokken, velen buiten de grenzen van voormalig Palestina naar TransjordaniŽ, SyriŽ of Libanon. Een groot deel bleef in de door Egypte gecontroleerde Gaza Strook, of in het door TransjordaniŽ gecontroleerde gebied gekend als de West Bank. Reeds in 1948 zochten de Verenigde Naties naar een oplossing voor het vluchtelingenprobleem en in december keurde de Algemene vergadering resolutie 194 goed die in artikel 11 stelde dat: ď[The General Assembly] Resolves that the refugees wishing to return to their homes and live at peace with their neighbours should be permitted to do so at the earliest practicable date, and that compensation should be paid for the property of those choosing not to return and for loss of or damage to property which, under principles of international law or in equity, should be made good by the Governments or authorities responsible;

Instructs the Conciliation Commission to facilitate the repatriation, resettlement and economic and social rehabilitation of the refugees and the payment of compensation, and to maintain close relations with the Director of the United Nations Relief for Palestine Refugees and, through him, with the appropriate organs and agencies of the United Nations;Ē

 

De grenzen van IsraŽl werden vastgelegd op de zogenaamde ďgroene lijnĒ (zie kaart op deze pagina). De Gaza Strook behoorde tot Egypte, en de Westbank tot JordaniŽ.

 

Tegen 1952 had de Joodse bevolking met 1,4 miljoen de meerderheid bereikt.

 

Ondertussen waren in Egypte parlementaire verkiezingen aan de gang. De Wafd Partij won de meerderheid en Eerste Minister Nahas Pasha herriep het verdrag van 1936 dat Groot-BrittanniŽ het controlerecht over het Suez kanaal gaf. Koning Farouk ontsloeg de Eerste Minister, waarna anti-Britse rellen plaats vonden.

Er vormde zich een geheime groep officieren, die gekend werden als de Vrije Officieren, die een staatsgreep planden. Koning Farouk werd gedwongen zijn macht af te staan en Generaal Naguib werd Eerste Minister en leider van de gewapende troepen.

In werkelijkheid leidde een negenhoofdige Revolutionary Command Council (RCC) onder leiding van Colonel Gamal Abd Al-Nasser Egypte. De monarchie werd ontmanteld, alle politieke partijen, met inbegrip van de Wafd, werden verboden en de Grondwet werd herroepen.

In 1953 werd de Egyptische Arabische Republiek uitgeroepen. In het begin leek hen bestuur mild en heroÔsch, hen staatsgreep verliep zonder bloedvergieten, en de hervormingen waren populair. De RCC radicaliseerde echter al snel en toen de oudere Naguib controle wou uitoefenen over de jongere officieren was hij onder huisarrest geplaatst en van zijn macht ontdaan in 1954. Abd Al-Nasser werd waarnemend staatshoofd en werd in 1956 officieel de President van de Republiek.

In 1956 nationaliseert hij het Suez-kanaal door de aandelen van Suez NV op te kopen. Het kanaal is een Brits-Frans condominium, maar de Britten kunnen weinig tegen deze actie ondernemen. Groot-BritanniŽ hanteert een zogenoemde impeachment policy, om vrede na de Tweede Wereldoorlog te garanderen, is een sterke casus belli nodig om oorlog te voeren.

In samenwerking met IsraŽl wordt een plan bedacht om het Suezkanaal te heroveren. IsraŽl zal de Egyptenaren terugdwingen over de SinaÔ-woestijn, tot achter het kanaal, Frankrijk en Groot-BrittanniŽ zullen dan interveniŽren omdat de veiligheid van de internationale scheepvaart in het geding is. Onder Amerikaanse druk vallen de Fransen en Britten niet aan. De IsraŽliŽrs hebben echter de SinaÔ al veroverd. Ze trekken zich terug op voorwaarde dat Egypte niet zal aanvallen. De VN zullen het gebied bewaken.

Na die explosie van geweld was er sprake van een periode van rust die door het merendeel van de bevolking met plezier onthaald werd. De emigratie ging door, vooral ook omdat de communistische regimes de obstakels tegen emigratie begonnen op te heffen. Ook de Marokkaanse Joden bleven komen, en vormden een etnisch blok dat meer en meer coherent aan het worden was. Ze kwamen op tegen de hegemonie van de Europese Ashkenazies die de richting aangaven binnen de Arbeiderspartij.

De economie bevindt zich in het stadium dat ontwikkelingsspecialisten het ďlanceringspuntĒ noemen. Het BNP groeide met 6% per jaar. De voornaamste stimuli van de groei waren: een aanwezigheid van werkkrachten, waarvan vele hoogopgeleid, maar vooral de investeringen van buitenlandse Joden, verwonderlijk als het lijkt, voornamelijk vanuit de Duitse Bondsrepubliek. Yasser Arafat richtte in 1958 met enkele vrienden zijn Al-Fatah partij op, een ondergronds netwerk van geheime cellen. In 1964 verlaat Arafat Koeweit voorgoed om voltijds revolutionair te worden en vanuit JordaniŽ Fatah-raids naar IsraŽl te organiseren.

Tevens werd in 1964 de Palestine Liberation Organisation (PLO) opgericht, gesponsord door de Arab League, die een aantal groepen te samen bracht die allen werkten om Palestina te bevrijden voor de Palestijnen. De Arabische staten verkozen dat de PLO een meer verzoenende houding zou aannemen dan die van Fatah, maar dat zou anders lopen.

 

 

Terug naar de vorige pagina                                                  Terug naar inhoudsopgave                                                                  Volgende pagina

                                                                                                         Terug naar home