Interbellum tot 1948

 

In 1922 kregen de Hashemiten Transjordanie toegewezen (het huidige Jordanië, ook wel Hashemitische koninkrijk genoemd, zie ook kaart op deze pagina)  omwille van hen bijdrage aan de strijd tegen de Turken. Palestina besloeg dan ca. het huidige Israël met West Bank en Gaza, met als zuidelijke grens ca. de grens ten Oosten van de Sinai zoals vastgelegd tussen de Ottomanen en de Britten in 1906. De noordelijk grens ca. zoals besproken in de Sykes – Pycot akkoorden en als oostelijke grens de Jordaan.

Ook in 1922 tekende Churchill een White Paper waarin het criterium “economische absorptie capaciteit” als leidend principe de toegestane immigratieniveaus bepaalde. Ondanks dat de zionisten de Britse administratie verantwoordelijk achtten voor de beperkte Joodse influx, was de voornaamste beperking, zeker tot 1933, niet het Britse beleid, maar het onvermogen van de zionisten om de grote kapitalen te genereren die nodig waren voor het Joods Nationaal Thuis.

Zowel de zionisten als hun vijanden overdreven de immigratie. De zionisten om sterk te lijken en voldoende steun te krijgen. Hun vijanden om aan te tonen dat verzet tegen het zionisme noodzakelijk was.

De eerste moderne census in 1922 gaf aan dat op een totale bevolking va 757’000 er 84’000, of 11% Joods waren[1].

 

Waar de Joodse Nationalisme of Zionisme een deel was van de Europese Nationalistische beweging die een negentiende-eeuws fenomeen was, waren  de nationale Arabische bewegingen een Afro-Aziatisch Nationalisme van de 20ste eeuw. Hen nationalistische beweging begon effectief in 1911 toen in Parijs een geheim lichaam genaamd “Al-fatah”, de Jonge Arabieren, opgericht werd. Zij waren gemodelleerd op de Jonge Turken en, zoals zij, sterk antizionistisch ingesteld. De Fransen die, zoals we gezien hebben, sinds de tweede wereldoorlog het Britse mandaat haatten en gedurende de onderhandelingen te Versailles achter de schermen meter voor meter bevochten, stonden Al-Fatah toe zich te vestigen in Damascus als een centrum van anti-Britse en antizionistische activiteit.

Enkele zionisten hadden reeds voorzien dat Palestina gebruiken om het “Joods Probleem” op te lossen een “Arabisch Probleem” kon creëren. Zo schreef Ahad Ha’am, die Erez Israel bezocht had, een artikel: “De waarheid omtrent Palestina” in 1891, zes jaar voor Herzl zijn beweging startte. Hij sprak een waarschuwing uit. Het is een grote fout, zei hij, als de zionisten de Arabieren afdoen als domme wilden die niet beseffen wat gebeurt. Eigenlijk,

 

            bezitten de Arabieren, zoals alle Semieten, een scherpe intelligentie en ingenieusiteit…

[De Arabieren] doorzien onze activiteiten en hen doelstellingen maar blijven momenteel stil omdat zij geen gevaar voor de toekomst bespeuren. Indien daarentegen het leven van onze mensen in Palestina zich ontwikkelt tot een punt waar de oorspronkelijke bevolking zich bedreigd voelt, zullen ze niet zo eenvoudig meer plaats maken. Hoe voorzichtig dienen we niet te zijn met een volk in wiens midden we ons wensen te vestigen! … Als de Arabieren ooit de activiteiten van haar rivale als bedreigend beschouwen of hen van hen rechten berovend, dan zal zelfs indien hij stil is en op zijn tijd wacht, de woede blijven voortleven in haar hart.[2]

           

Deze waarschuwing werd grotendeels genegeerd. De schaal van de nederzettingen dreven de prijs van het land de hoogte in, en de Joodse kolonisten en agentschappen hadden in de Arabieren harde onderhandelaars: “elke dunam land die we nodig hebben voor onze kolonisatie moest gekocht worden op de open markt” kloeg Weizmann, “aan torenhoge prijzen die hoger en hoger rezen naarmate ons werk vorderde. Elke verbetering die we aanbrachten verhoogde de prijs van het land in die gebieden en de Arabische landeigenaars verloren geen tijd om er munt uit te slaan. We kwamen tot de conclusie dat we de grond van Palestina moesten bedekken met Joods goud.”[3]

 

Eens de vrede na de eerste wereldoorlog gekomen was en enkele van de cheques ongedekt bleken vonden de Arabieren in het bijzonder, dat ze slechts een aalmoes kregen. In plaats van de grote Arabische Staat kregen ze Franse protectoraten in Syrië en Libanon en Britse in Palestina, Transjordanië en Irak. De enige Arabische clans die er als overwinnaars uitkwamen waren de Saudis in Arabië. Emir Feisal, hoofd van de Hashemieten die Groot-Brittannië gesteund hadden moest zich tevreden stellen met Transjordanië. Hij was weltevreden met de Joodse kolonisten, in de overtuiging dat het de Arabische levensstandaard zou verhogen. “Wij Arabieren,” schreef hij naar Felix Frankfurter op 3 maart 1919, “voornamelijk de geschoolden onder ons, kijken met de diepste sympathie naar de zionistische beweging… We zullen de Joden hartelijk welkom heten.”[4]

Maar Feisal overschatte zowel de aantallen en de moed van Arabische gematigden die bereid waren te werken met de Joden.

In maart 1920 was er een reeks Arabische aanvallen op Joodse kolonies in de Galilee, gevolgd door rellen in Jerusalem. Jabotinsky, die voor het eerst zijn privé defensie de Haganah heeft gebruikt werd opgesloten en veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid.

In een poging de gemoederen te kalmeren beging Lloyd George een fatale fout: hij trachtte de Joden, die vonden dat de Britse troepen weinig deden om hen levens en eigendommen te beschermen, te plezieren door Herbert Samuel af te vaardigen als gazant. Deze werd overladen met wensen en klachten. Weizmann was razend en vreesde dat Samuel verbolgen zou zijn. Dit was echter niet het echte probleem. Wat hij erg vond waren de Arabische insinuaties dat hij, als Jood, partijdig zou zijn. Samuel trachtte altijd de dingen op twee manieren te hebben; hij wou een Jood zijn zonder in God te geloven, hij wou een zionist zijn zonder tot een zionistische organisatie te behoren, nu wou hij een Joods nationaal thuis verdedigen zonder de Arabieren te beledigen. Dit was onmogelijk. Het was inherent aan het zionistisch concept dat de arabieren geen volledige rechten konden hebben binnen de gebieden van de voornaamste kolonies.

Samuel waarschuwde de Joodse leiders in Palestina dat ze een bloedbad aan het uitlokten waren en dat ze aanzienlijke offers moesten brengen tenzij er voorzichtig geleid werd.

Dit was op zich geen slecht advies. Het probleem was dat de zionisten in de moeilijke dagen van het vroege 1920 het al moeilijk vonden de kolonies te ondersteunen en niet in staat waren een geste te doen naar de Arabieren.

In ieder geval, terwijl hij dit advies gaf, hadden zijn andere acties tot gevolg dat zijn advies niet meer opgevolgd kon worden. Hij begreep niet dat, net zo min als er plaats was voor gelijkheid tussen een Jood en een antisemiet, men ook niet op samenwerking kan rekenen tussen een Joodse kolonist en een Arabier die hem daar niet wil.

Zijn eerste actie was het verlenen van gratie aan de opstandelingen van 1920. Dan maakte hij een fatale fout. Een moeilijkheid die de Britten hadden met het onderhandelen met de Arabieren was dat ze geen officiële leider hadden, het mandaat van Koning Feisal ging niet verder dan de Jordaan. Dus ze vonden de titel “Groot Mufti van Jerusalem” uit. In Maart 1921 stierf de bestaande titelhouder, het hoofd van een belangrijke lokale familie. Zijn jongere broer was de beruchte opstandeling Haji Amin al-Husaini, die nu gratie gekregen had en terug op de politieke scčne kwam. Hij was onervaren en kwam na een stemming door een voornamelijk gematigd kiescollege, niet tegen de verwachtingen, laatste in rij met slechts 8 stemmen. Een gematigde en geleerde man, Sheikh Hisam Al-Din werd verkozen en met plezier erkend door Samuel. De Houseini familie begon met de Nationalistische Extreme Vleugel een lastercampagne, suggererend dat de Britten en de Zionisten hun pion hadden laten verkiezen.

Een lid van het Britse personeel en voormalig architect en assistent van Sir Ronald Storrs, Ernest T. Richmond genaamd, was een gepassioneerd anti-zionist en handelde als adviseur tot de Hoogcommissaris voor Moslim Zaken. Hij slaagde erin de gematigde Sheikh te overtuigen om af te treden. Dan overtuigde hij Samuel ervan als geste naar de Arabieren Haji Amin Groot Mufti te laten worden. Samuel ontmoette de jonge man op 11 april 1921 en aanvaarde de “verzekering dat de invloed van hemzelf en zijn familie gewijd zou zijn aan rust”. Drie weken later waren er rellen in Jaffa en elders waarin er 43 Joden werden vermoord.

Deze aanstelling tot wat werd aanzien als een van de lage posten in een onbelangrijk Brits protectoraat veranderde in een van de meest tragische en beslissende fouten van de eeuw. Het is niet duidelijk of een Joods – Arabisch akkoord mogelijk zou geweest zijn onder gematigd Arabisch bestuur, maar nu was het onmogelijk. De Mufti werd Groot-Brittannië’s grootste tegenstander in de regio en een fel aanhanger van Hitler’s Endlösung. De voornaamste slachtoffers waren echter de gewone Arabische bewoners van Palestina. Zoals de geschiedkundige Elie Kedouri observeerde: het waren de Hussainis die de politieke strategie van de Palestijnen dicteerden tot 1947 en zij leidden hen tot de absolute vernieling.

De sombere verwezenlijking van de Groot Mufti was een schisma te openen tussen de Joden en de Arabieren dat sindsdien nog nooit is overbrugd. Aan de San Remo Conferentie in 1920, een jaar voor hij aan de macht kwam, werden het Britse Mandaat en de Balfour Verklaring officiëel bevestigd als onderdeel van de Versailles regelingen, en zaten de Joden en de Arabische delegaties aan het Royal Hotel om de gebeurtenissen te vieren. Tegen februari 1939, toen de Tripartite Conferentie in Londen samen kwam om te trachten de Arabisch Joodse geschillen bij te leggen weigerden de Arabieren onder alle omstandigheden met de Joden samen te zitten. Dit was door toedoen van de Groot Mufti.

Gedurende de jaren twintig was de grote politieke kracht die opkwam in Israël David Ben Gurion. Wat het meest van belang was voor hem was de politieke en economische aard die de Zionistische maatschappij zou aannemen en de staat die het zou creëren.

De grootste groep Joodse immigranten kwam van Polen, op de vlucht voor de economische crisis in hun land. Zij reisden eerder op eigen initiatief, dan gedreven door de Zionistische organisaties. Hun keuze voor Palestina was grotendeels een gevolg van de Johnson Act in de Verenigde staten die de grenzen abrupt sloot. Na die plotse toevloed volgde de economische crisis van 1927 en een korte periode van netto emigratie.

In 1929 waren er, in tegenstelling tot de Joodse meerderheid, zoals voorgesteld door Weizmann’s verklaring op het Vredescongres en Samuels oorspronkelijke immigratieschema, slechts 100’000 Joodse immigranten toegekomen. Het totaal aantal Joden werd hierdoor opgetrokken tot 156’000, of 16% van de totale bevolking.

Het was echter slechts vanaf 1933 dat er een echte toename van immigraties was, vooral door de ontwikkelingen in Duitsland.

In 1931 vond de eerste wetenschappelijke census plaats. Onder de belangrijkste cijfers waren de datasets gerelateerd aan geboorte- en sterftecijfer. Aangezien het in de jaren 1936 – 39 door de Arabische opstand onmogelijk was om een wetenschappelijke census uit te voeren, is dit de enige wetenschappelijke census voor WOII. Het geboorteratio voor Palestijnse moslims bedroeg in 1931 53 per duizend, voor Joden 32 per duizend. Beide cijfers lagen hoog in vergelijking met internationale standaarden.[5] Dit was een van de redenen voor de zionistische tendens om in hun emigratiebeleid de voorkeur te vertonen voor mensen die de leeftijd hadden voor kinderen. Ook de overheid deed haar berekeningen, voornamelijk na de uitbreek van de Arabische opstand. Er werd een projectie gemaakt van de verwachte demografische evolutie. Het resultaat gaf aan dat om de huidige verhoudingen te behouden de Joodse immigratie diende beperkt te worden tot 12’000 per jaar. In 1938 werd Mills gevraagd de cijfers te herberekenen, en kwam uit op licht gewijzigde cijfers, suggererend dat 15’000 inwijkelingen per jaar het plafond zou zijn voor de immigratie. Vandaar het cijfer van 75’000 dat vermeld werd in het White Paper van mei 1939 als de grens voor de volgende vijf jaar.

Ook in 1938 scheiden de dissidenten zich af van de Haganah, de militaire arm van de zionistische beweging en vormden hun eigen ondergrondse bewegingen, de Irgun en de Lehi. De Irgun richtte terreur op de Arabieren, terwijl de Lehi zich in eerste instantie beperkte tot het Brits imperialisme bevechten door middel van terreur. De Britse positie werd in de jaren volgend op de tweede wereldoorlog steeds onhoudbaarder. De toenemende vervolgingen in Europa leidden tot de Biltmore declaration van 1942, waarin de Zionistische leider  David Ben Gurion (die later de eerste president van Israël zou worden) het Zionistische doel van een onafhankelijke staat in Palestina expliciet vermelde.



[1] Deze census faalde echter, vooral in haar schatting van de Bedoeďenen in het zuiden die hen exacte aantallen niet durfden geven, uit vrees dat ze gebruikt zouden worden voor militaire doeleinden. Hen aantalle werden vermoedelijk zwaar overschat. Ipv 73’000 zou en meer realistisch cijfer 45’000 zijn. De enige moderne census in de regio onder Brits mandaat was die van 1931.

[2] Geciteer in S. Clement Leslie, The Rift Of Israel: Relegious Authority and Secular Democracy (Lonon 1971), 32

[3] Weizmann, op. Cit., 316

[4] Ibid, 307 - 8

[5] Palestijnse moslims hadden een hogere geboorteratio dan elk ander land in de wereld. Ook het Joodse geboorteratio was hoger dan elk Europees land behalve Roemenië en Portugal, Statistical Abstract of Palestine, 1939 (Jeruzalem 1939), pp. ii-iii

 

Terug naar de vorige pagina                                                  Terug naar inhoudsopgave                                                                  Volgende pagina

                                                                                                         Terug naar home