De eerste Alyah

 

Tijdens de eerste Alyah[1] gedurende de jaren 1880 – 1890 zijn tussen de 24’000 en 55’000 personen naar Palestina verhuisd.

Voor Theodoor Herzl was dit niet voldoende, hij ging dan ook, praten met de staatshoofden in Europa en het Ottomaanse Rijk. Herzl had toegang tot de Europese leiders zoals geen enkele Jood voor hem. Deuren gingen voor hem open omdat ze begrepen wat hij aanbood, niet een “pleidooi voor de onderdrukten”, maar tastbare voordelen: voor England bescherming van de flank van Egypte en de route naar India, en een omleiding van de verarmde Joodse vluchtelingen die in Londen aankwamen, voor Duitsland een excuus om de protector van Palestina te worden en zo een spoorweg naar het Oosten aan te leggen, voor Rusland het afwenden van de dreiging van Joodse revolutionaire elementen en verlichting van het stigma dat de politiek van pogroms  had gecreëerd in West Europa. Voor Turkije, hulp in de ontwikkeling van haar slabakkende economie. Ondanks dit boekte hij slechts weinig succes.

Ook onder Joden kende Herzl veel tegenstand. De voornaamste man onder de Joden, Lord Rotschild, weigerde zelfs hem te zien. In Parijs werd hij ontvangen door Edmond Rotshild (1896), maar  die vond dat zijn grootse plannen niet enkel onrealiseerbaar waren maar ook nog in gevaar konden brengen wat reeds verwezenlijkt was. Een grap deed de ronde: “Wij Joden hebben 2’000 jaar gewacht op de Joodse staat en het moet juist mij overkomen?”

Gedurende 1897 en 1898 boekte Herzl toch gestaag vooruitgang. Dit blijkt onder meer uit een brief geschreven door de Duitse Kaiser onder de invloed van zijn goede vriend Graaf Eulenber, een van Herzl’s belangrijkste Duitse Sympathisanten. De brief, gericht aan de Groot-hertoch van Baden, de oom van de Keizer en een vertrouweling van Herzel, besluit dat Duitsland inderdaad een Joods Protectoraat in haar interesses dient te overwegen.

In Groot-Brittannië, waar de conservatieve regering van Eerste Minister Arthur Balfour te maken had met oproer naar aanleiding van het ongelimiteerde influx van Russische Joden, leek men uiteindelijk oor te hebben voor de steun voor Joodse emigratie naar Palestina. Herzl kon er in 1901 een vergadering regelen met Lord Nathaniel Mayer Rotschild, waarin hij hem kon overtuigen dat een Joodse Charter Company in het Brits gecontroleerd Sinaï of Cyprus de Joodse emigratie naar Groot-Brittannië kon omleiden zonder aanzien te worden als antisemitische wetgeving.

In 1903 stelde Lord Chamberlain Brits Minister van de Kolonies voor om de Joodse vluchtelingen te huisvesten in Oeganda, en in 1904 werd een aanbod gedaan van een territorium ter grootte van ongeveer de helft van het huidige Israël naats het Victoriameer. Herzl was geneigd dit te aanvaarden als voorlopige thuishaven, wat leidde tot een ernstig conflict met de Russische Zionisten die enkel Palestina erkenden, en uiteindelijk hen wil doorzetten.

Israël moest een “België van het Oosten” worden, of, zoals George Eliot stem gaf aan de Zionistische droom door de lippen van Mordecai in haar roman “Daniel Deronda” in 1876: ”De wereld zal winnen als Israël wint, want er zal een gemeenschap opstaan in het Oosten die in haar schoot de cultuur en sympathie van elke grote natie draagt; er zal een land zijn dat een rustplaats biedt voor alle vijandelijkheden, een neutrale grond voor het Oosten zoals België is voor het Westen”.

Nochtans, zonder de eerste wereldoorlog lijkt het onwaarschijnlijk dat een Joodse Staat ooit het licht zou gezien hebben. Ondanks al hen moeite bevonden de opvolgers van Herzl, de Duitsers David Wolfsohn en Otto Warburg, zich in een diplomatische impasse. Verre van steun te verlenen aan de Zionisten, trachtten de Ottomanen, de emigratie tegen te houden. Echter zonder veel succes.

De emigranten van de Tweede Alyah (1903 – 1914), aangezet door het falen van de Russische Revolutie van 1905 en een pioniersgeest geïmpregneerd door socialisme vinden zonder veel moeite toegang tot Israël.

Arthur Ruppin, hoofd van het Zionistisch kantoor in Jaffa, berekende dat er in 1914 zo’n 85’000 Joden in Palestina leefden, of zo’n 12 % op een totale bevolking van ca. 689’000.

 



[1] Alyah: Terugkeer naar het Heilige Land

 

 

Terug naar de vorige pagina                                                  Terug naar inhoudsopgave                                                                  Volgende pagina

                                                                                                             Terug naar home