4.    Conclusie

 

Het is verleidelijk gebruik te maken van het antropomorfisch idioom en “Lucifer in de media” voor te stellen als een journalist, maar de realiteit is complexer. “Lucifer” is een fenomeen dat eigen is aan het menselijk denken en aan de menselijke taal. Het is een inclinatie die, als we er niet bewust mee omspringen, zich uit als een negatieve kracht.

We delen de maatschappij op in groepen en maken een onderscheid tussen de groepen waartoe we behoren (ingroepen) en groepen waartoe we niet behoren (uitgroepen). Eens we die gaan beschrijven ontstaan, al dan niet bewust geïntroduceerd, stereotypes en veralgemeningen. We gaan bovendien een waardeoordeel vormen over de groepen op basis van de kennis die we hebben. Als een groep telkens geassocieerd wordt met uitzonderlijk moreel gedrag, of juist met aanslagen zal dit ons oordeel bepalen. Het is evident dat een volk  systematisch in de media brengen als “vrijheidsstrijders” of als “terroristen” bijdraagt tot die categorisering.

De media handelen over extreme gebeurtenissen, artikels worden korter, mensen komen pas in de media als ze iets “bondig” kunnen omschrijven. Liefst in een oneliner om een reportage van 30 seconden mogelijk te maken. Zo wordt het onmogelijk een genuanceerd beeld van een groep te vormen. Iets is goed of slecht. Stereotypering wordt de norm. Dit is het Lucifer effect. Groepen en gebeurtenissen die gepolariseerd voorgesteld worden in stereotypes zullen een polariserend effect hebben op de maatschappij.

Dit wordt versterkt door het tweede relevante fenomeen dat aan het licht is gekomen. Meer en meer wordt overgegaan op een regionale berichtgeving. Wat is de impact van een gebeurtenis op mijn stad, op mijn dorp, op mij? We kennen onze buur, maar niet iemand die 100 km verder woont. Grote theorieën zijn minder en minder aan de orde. De journalist die ook expert is verdwijnt langzaam. We kunnen het eenvoudigweg niet meer betalen. De Nederlandstalige afzetmarkt is te klein, de concurrentie is zo hard, dat iets dat door weinigen gelezen wordt niet meer aan bod komt, en bovendien, velen van diegenen die het interesseert kennen Engels en lezen The Economist, The Herald of Free Tribune, The Wall Street Journal en kijken naar CNN, BBC World en Al Jazeera. Dit is het pull-effect. De lezer krijgt wat de lezer vraagt, en de kleine taalgroepen vervallen in het niets. De nieuwe lingua franca, het Engels, al dan niet beheersen wordt een maatstaf voor wie kan volgen in een geglobaliseerde wereld en wie uit de boot valt.  

Maar er is hoop. Het beheersen van die macht, het bewust gebruiken van de kracht van de media kan mensen bijeen brengen. Frankrijk en Duitsland zijn al een nieuwe generatie Europeanen aan het opleiden, of, in de woorden van Gylden en Mylant: “Réveiller le couple franco-allemand, accusé d’être en panne d’idées”.[i]

De verschillende identiteiten worden met elkaar geconfronteerd. Eens de interpretatieve identiteit evolueert tot een argumentatieve identiteit,[1] dient gezocht te worden naar een gemeenschappelijke ruimte waarin zowel verleden als toekomst een nieuwe vorm kunnen krijgen. Hierbij helpt het als de betrokken partijen aangevuld worden met een niet betrokken reeks individuen en groepen. De internationale gemeenschap heeft dus een belangrijke rol te vervullen.  Hoewel het verleden de verschillende actoren misschien uit elkaar drijft, is het feit dat er gedebatteerd wordt al een verenigende kracht tegenover datgene wat ons in het verleden van elkaar geïsoleerd heeft.[ii]

 

Ook focussen op de gemeenschappelijke doelstellingen van alle mensen, en meer mensen van alle gemeenschappen aan bod laten komen die niet-stereotype zijn, kan vooroordelen verminderen en volken bijeen brengen. Hierin hebben de media een belangrijke rol te vervullen.

 

We hebben nog een lange reis voor de boeg, maar we kennen de weg.



[1] Zolang we de omgeving analyseren en leren bouwen we aan onze interpretatieve identiteit. Eens we onze conclusies trachten te verklaren aan anderen, moeten we keuzes maken. Wat vertellen we, hoe, met welke woorden of andere middelen, met welke argumenten. We kunnen onszelf nooit 100% uitleggen, en omgekeerd, we kunnen een ander nooit volledig kennen. Belangrijk is echter dat er vrijheid is van expressie en tolerantie, we mogen onze argumentatieve identiteit vrij uitdrukken in een gemeenschappelijke ruimte.



[i] Gyldén, A. & Milcent. B. (2006)  ‘Une histoire pour deux’, L’Express 27/04/2006

[ii] Laurent Liceta, Olivier Klein en Raphaël Gély, Mémoires des conflits, conflits de mémoires (reconcilliation), Social Science Information sur les Sciences Sociales, Volume 46, No4, Dec 2007, Sage Publications, p 581-582

 

 Terug naar vorige pagina                                                   Terug naar de inhoudsopgave   

                                                                                                     Terug naar de startpagina