ii.                 Inleiding

 

“Note this you proud men of action, you are nothing more but the unconscious tools of the men of thought, who in humble stillness have often drawn up your most definite plans of action”

 

Heinrich Heine[i]

________________________

 

 

Van zodra we onze ogen open doen analyseren we de wereld om ons heen. We leren door observatie, door omgang met anderen, door wat we uit boeken halen of door ervaring.  Newton erkende het al toen hij zei: “Als ik verder heb gezien dan al de anderen, is het omdat ik op de schouders stond van reuzen.”

Hij baseerde zich op het levenswerk van anderen en wijdde zijn eigen leven aan de analyse van een vallende appel. De toen revolutionaire bewering dat de hemellichamen beantwoorden aan dezelfde wetten als die appel kostte generaties denkwerk. Voor ons is het een evidentie. Maar, als we steunen op de ervaringen van anderen worden we onmiddellijk geconfronteerd met twee beperkingen: ten eerste wat kan genoemd worden traduttore traditori – vertalers zijn leugenaars. Niemand kan de eigen ervaring exact weergeven. Altijd zullen we ons moeten beperken tot verzwakkend of versterkend taalgebruik, en soms zullen we zelfs een leven lang moeten uitleggen wat we neergeschreven hebben. Het tweede probleem dat zich voordoet is dat de observatie het resultaat kan wijzigen, en wel op twee manieren. Als we praten over de resultaten van een opiniepeiling kan dit de gedachten van de mensen doen omslaan, en mensen die geobserveerd worden zullen zich anders gaan gedragen, het observer effect.

Observatie en communicatie van waarnemingen en ideeën staan centraal in de media.

Met de moderne middelen is men in staat een enorme massa te bereiken op zeer korte tijd. Maar veel van de spelregels zijn al eeuwen oud; ze berusten op de manier waarop taal en beelden gebruikt worden om een boodschap over te brengen. Daarom ga ik in het eerste deel op zoek naar de rol van taal. Wat is het direct effect van communiceren en hoe bekijken wij de taal? Ook ga ik na wie er gebruik maakt van die taal, en op welke manier. Welk idee wordt gecommuniceerd, en waarom gaan we die ideeën in ons opnemen.

 

Het tweede deel behandelt de plaats van de media in de maatschappij.

Het idee dat de media als geheel, laat staan een individueel journalist, als door middel van een injectienaald zomaar ideeën kunnen ‘injecteren’ in de massa heeft men al lang opgegeven. Nu bekijkt men de media als onderdeel van onze omgeving, ze construeren mee aan onze realiteit. In die context beschouw ik dan ook de plaats van de waarnemer - hoe kijken wij naar de realiteit - en van de communicator – welk idee wordt gecommuniceerd.

 

In het laatste deel ga ik na wat het effect van dit alles is op de samenleving. Hoe draagt dit bij aan de creatie van een sociale identiteit, aan het vormen of in stand houden van stereotypes, of de mogelijke vermindering van stereotypes.

 


[i] Heinrich Heine (1834) Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland, Boek 3: Vol. 7, p 294 in Heinrich Heines sämtliches Werke, ed. Oskar Walzel (1911-1920) Leipzig.

 

Terug naar vorige pagina                                           Terug naar de inhoudsopgave                                                    Naar de volgende pagina

                                                                                            Terug naar de startpagina